zondag 20 april 2014

Lasagne met aubergine en ricotta


Machtig hapje om te zien, hè? Nou, ik kan jullie gerust stellen: dat is het ook. Al die kaas, de boter en de pasta maken er beslist geen calorie-arm gerecht van. Je merkt dat je wat eet, zeg maar. Toch vind ik dat het best moet kunnen, zo'n guilty pleasure. Niet iedere dag natuurlijk.
Het is een soort van samenstelling uit verschillende lasagne- en cannellonigerechten die ik in de loop der jaren gemaakt heb. Deze blijft wat mij betreft de lekkerste, hoewel die met spinazie en citroenricotta ook zeer de moeite waard is!

Voor 4 personen

Ingrediënten:
ovenschaal van 20 x 30 cm
3 eetl olijfolie
1 ui, fijngesneden
1 teentje knoflook, fijngesneden
2 aubergines (eerst in zout gezet, daarna in  blokjes gesneden)
2 blikken tomatenblokjes (400 gr)
1 bakje ricotta (250 gr)
1 pak lasagnebladen  (250 gr) of nog lekkerder: vers gemaakte
70 gr boter
70 gr bloem
1 liter volle melk
nootmuskaat/zout/peper
150 gr Old Amsterdam, geraspt

Bereidingswijze:
Verwarm de oven voor op 200°.
Verhit de olie in een zware, ondiepe plan.
Fruit de ui en knoflook tot alles glazig is.
Voeg de aubergineblokjes toe en bak deze tot ze zacht en gaar zijn.
Voeg nu de tomaten en de ricotta toe.
Meng alles goed door elkaar en breng op smaak met peper en zout.

Leg nu een laag van het mengsel in de ovenschaal.
Schik er de lasagnebladen bovenop. Probeer ze elkaar zo weinig mogelijk te laten overlappen.
Maak op deze manier vijf laagjes, afwisselend met het tomaten-auberginemengsel en de lasagnebladen.

Maak een roux door de boter in een pan te laten smelten.
Voeg de bloem toe en roer met een houten lepel tot de roux lichtbruin begint te kleuren en de typische “biscuitgeur” ontstaat.
Schenk de melk erbij en breng al roerend aan de kook.
Laat dit zo’n 10 minuten op laag vuur zachtjes garen. Roer regelmatig!
Breng de roux op smaak met nootmuskaat, peper en zout.

Schenk de saus over de lasagne.
Bestrooi als laatste met de geraspte kaas en zet de schaal in het midden van de oven.
Bak de lasagne in circa 30 minuten gaar en goudbruin.

Lekker met een frisse salade van veldsla, radijs en cherrytomaatjes.

vrijdag 18 april 2014

Over gaten in mijn hart en legionella bacteriën

 
De dag begint met het omgooien van een vol glas thee. Het roomwitte lopertje op mijn eetkamertafel neemt spontaan een bescheiden, doch duidelijk lichtbruine tint aan. Thee als kleurstof werkt reusachtig goed, is heel goedkoop en gemakkelijk te verkrijgen. Dat wist ik nog vanuit mijn hippiejaren, toen ik nog een zekere afkeer koesterde voor termen als Rust, Reinheid en Regelmaat. Veel te burgerlijk allemaal. Chaotische wanorde overheerste mijn leven. Stapels vuile borden op het aanrecht. Strijkgoed dat nooit gestreken werd, maar vanuit de mand gevist werd om opnieuw aangetrokken te worden. Een niet zo erg kraakheldere witte was. Zo gebeurde het dat ik alles wat goor en “hontig” (= Brabants dialect voor alles was niet fris is) was, in een emmer water met theezakjes gooide. Mijn moeders goedkeuring heeft het nooit gekregen.

Intussen is alles goed gekomen met me. Ik slaap, ik poets, was, strijk en kijk regelmatig op de klok om te controleren of er nog geen maaltijd op tafel dient te verschijnen. Dat soort dingen doe ik tegenwoordig met het grootste gemak. Iets ontkleuren blijkt in de praktijk dan weer net iets minder gemakkelijk. Er moet een halve fles Vanish aan te pas komen om het kleed weer enigszins toonbaar te maken.
De wasmachine is al in gebruik, dus het centrifugeren moet handmatig gebeuren. Ook geen dagelijkse kost. Waarna mijn strakke dagschema dramatisch ontregeld is.
Dan gaat  de telefoon. Ik word gebeld door een vriendin die ik de dag tevoren on a very dull moment zelf had proberen te bereiken. Een voorbije vakantie moet besproken worden, vorderingen bij de fysio, de gezondheid van de kleinkinderen. Just talking ….. And talking.

Dan klingelt de bel. Een lange tijd verloren gewaand familielid staat breed lachend voor de deur. Natuurlijk ben ik blij. En al is het even zoeken naar de juiste toon die de muziek voor dat moment ondersteunt, we zitten genoeglijk aan tafel, nemen een eenvoudige lunch tot ons en babbelen over alles wat besproken dient te worden tussen mensen die elkaar lang niet gezien hebben.

Opnieuw de telefoon. Het is mam die opgetogen melding doet van het feit dat een persoon haar salmonella onderzocht heeft. Huh??? “Even herhalen, mam, wát zeg je nu?” Het blijkt te gaan om een man. Een nette man. In een soort van blauw pak. Met een embleem. Nee, de naam heeft ze even niet goed gelezen. Wel dat hij een plastic flesje en een thermometer bij zich had en even naar haar boiler wilde kijken. O ja, hij vroeg ook nog of hij zich moest legitimeren. Dat hoefde niets van ons mam, want zulke mannen zijn te vertrouwen. Hij kwam van een bedrijf, dat zag je in één oogopslag. Zegt ze.

Aan alle kanten gaan er alarmbellen rinkelen. “Má-hám”, roep ik aangedaan, “hoe vaak heb ik je nu al niet gewaarschuwd voor dit soort trucs? Het kan net zo goed een crimineel zijn, die misschien nu niets heeft meegenomen, maar wel heeft kunnen rondkijken in je huis”. Aan de andere kant valt een stilte. Mam denkt na. “Alle deuren waren dicht”, zegt ze gedecideerd en hij heeft een flesje gevuld met water uit de keukenkraan”.

De kwartjes beginnen te vallen. Het vermoeden rijst dat het om een controle op de aanwezigheid van de legionella-bacterie gaat. Dan nog blijft de vraag: in wiens opdracht gebeurt dit en waarom is mam daar niet van te voren over ingelicht? Ik zet mijn Sherlock Holmes gezicht op en  start mijn onderzoek.

Om half vijf val ik in een groot, diep, zwart gat. De mannetjes die dagelijks zorg dragen voor een gestructureerd bio-ritme, besluiten op dat moment op de resetknop te drukken, waardoor de machinerie volledig down gaat. Gevoelens van allerhande aard buitelen over me heen. Na een aantal jaren met een haperend niveau aan oestrogenen begin ik het weliswaar te herkennen, maar een fijn gevoel is het zeker niet.

Ik kan wel janken. Natuurlijk doe ik dat niet. Ooit heb ik de hardnekkige stelling in  genomen, altijd tegen de stroom in te blijven zwemmen. Altijd. Wat ik dan wel doe is keiharde muziek op zetten, liefst met veel dramatiek erin verwerkt, dat zwelgt zo lekker. Passenger zingt en ik blèr mee ♪♪ Said we’ve got holes in our hearts, we’ve got holes in our lives we’ve got holes, we’ve got holes but we carry on ....♪♪

Wat ben op zulke momenten dankbaar dat ik nog een restje groentecurry heb staan van eergisteren. Dat ik in de vriezer van die kant en klare bladerdeegvellen heb liggen. Maar toch vooral  dat er een Man is die van dit alles fraaie hapjes in elkaar weet te fröbelen. Kruidig,  lekker  warm en vooral troostrijk. Een hapje troost doet wonderen, merk ik. Tegen achten ben ik dan ook weer helemaal het vrouwtje. ♪♪ Said we’ve got hope in our hearts, yes, we've got hope in our lives ♪♪
.

zondag 13 april 2014

Vegetarische curry


Hoewel ik een doodgewone, Hollandse meid ben, ben ik toch geen liefhebber van onze traditionele AGV’tjes. Geef mij maar iets met veel pit. Met een sneeuwwit bergje rijst ernaast om de smaakpapillen tot bedaren te brengen. Want zodra de capsaïcine (de werkzame stof die de meeste pepers hun pittige smaak geeft) je mond heeft bereikt, gebeurt er van alles tussen je legertje tanden en kiezen; van warmtesensaties tot tintelingen toe. Lekker!

Mensen die niet van pittig  houden, ga je nooit over de streep trekken. In feite is dat ook helemaal niet erg, want tenslotte moeten de boerenkoolvelden ook weer leeg zijn alvorens de lente begint en dient de Hema zijn rookworsten te blijven verkopen. Zo blijft er voor elck wat wils.

Favoriet bij mij is de Indonesische en de Indiase keuken. In een grijs verleden heb ik een meerdaagse workshop Surinaams-Hindoestaans koken gevolgd. Was destijds ook een heel fijn plan! Roti, kousenband, bruine bonen met rijst, pindasoep … allemaal met flink veel madame Jeanette. Een hete dame, die Jeanette, dus houdt een beetje afstand als je geen vuurballen achter je aan wilt hebben.

Vandaag wil ik echter iets milds-pittigs eten. Kan dat ook? Ja, dat kan. Vrij simpel zelfs, door kokos aan je gerecht toe te voegen. Mijn gerecht van vandaag heeft geen naam. Ik noem het zelf vegetarische curry. Met een groentemengsel dat beslist niet specifiek Indiaas te noemen is en ook de kruidenmelange is lichtelijk vernederlandst.
Oké, toegegeven, ik scharrelde maar wat. Had geen gember in huis en geen verse pepers. Dan krijg je van die pruttelpotjes die verrukkelijk smaken, maar waarvan je achteraf nooit weet hoe je ze gemaakt hebt.

Ingrediënten:
½ tl korianderzaad
½ tl garam masala
½ tl kurkuma
2 kardemompeulen
½ tl komijnzaad
¼ à 1 tl chilipoeder, naargelang je eigen "vuur"-behoefte
3 tomaten, ontveld, in stukjes gesneden
2 uien, fijngesnipperd
1 teentje knoflook, fijngeplet
1 paprika, ontveld, in kleine blokjes
3 wortelen, in kleine blokjes
handje boontjes, in stukjes gesneden
250 gr champignons, schoongewreven en in plakjes
½ prei, in ringen
100 ml kokosmelk of ¼ blok creamed coconut
1 scheutje olijfolie
scheutje kippenbouillon
peper/zout

Bereidingswijze:
Rooster in een koekenpan het koriander- en komijnzaad. Haal de pan van het vuur zodra de kruiden knisperen.
Haal de zaadjes uit de kardemompeul en vijzel nu alle kruiden tot een fijn mengsel.
Voeg alle overige kruiden en specerijen toe.

Verwarm een beetje olijfolie in een pan op een matig vuur.
Fruit hierin eerst de uien en op het laatst de knoflook.
Bak de kruiden nu voorzichtig heel even mee, zodat ze hun aroma afgeven.
Voeg de tomaten toe en laat een vijftal minuten meestoven.
Doe nu alle groenten erbij met de kokos en de kippenbouillon.
Laat dit 15 à 20 minuten pruttelen.
Roer af en toe goed om en controleer of het niet te droog wordt, anders een
scheutje water toevoegen.
Proef en kruid naar smaak met peper en zout.

Serveer de curry met gestoomde witte rijst en iets frissigs erbij, zoals komkommersalade.

woensdag 9 april 2014

Over ziek zijn en beter eten

Er moet mij iets van het hart. Omdat ik de laatste tijd een aantal zaken tegen kwam die ik met de beste wil van de wereld, niet kon begrijpen. Het bleef spoken in mijn hoofd en daarom wil ik het hier kwijt. En misschien ook wel met de ijdele hoop dat ik hiermee een héél klein steentje kan bijdragen aan veranderingen in ons armetierige gezondheidszorgland.

Gezondheid is een groot goed. Als je de pech hebt die, al dan niet tijdelijk, te moeten ontberen, kom je geheel automatisch in een afhankelijke positie terecht. Wij hebben met z’n allen instituten bedacht, waarin wij hoogopgeleide mensen laten werken met de bedoeling de zieke mens opnieuw beter te maken. Lukt dat niet, dan hebben wij een vangnet bedacht. Verzorgings- of verpleegtehuizen noemen we die. Daarbinnen creëren we banen voor beduidend minder hoog opgeleide mensen, met als enig doel de chronisch zieke in leven te houden. Veel meer houdt het niet in, helaas.

Tot dusver goed doordachte plannen, zou je zeggen. Op papier klopt dat ook wel. In de praktijk ziet het er heel wat minder rooskleurig uit. Iedereen snapt, dat wanneer een mens zich niet lekker voelt, er een onmiskenbare hang naar zijn vertrouwde comfortzone ontstaat. Een antiek voorbeeld daarvan is de Joodse penicilline (kippensoep). Van oudsher wordt deze heilzame soep gegeven aan den zwakke mensch. Naast zijn vermeende geneeskrachtige werking, is zo’n dampende kop goudgeel vocht licht verteerbaar, smaakvol en zelfs een beetje gezond. Hoe beroerd je je ook mag voelen, elk mens kikkert van een hartig slokje soep wel een beetje op.

Hoe deplorabeler onze gezondheidstoestand, hoe meer behoefte we krijgen aan een zekere mate van welbevinden. Logisch, want een mens heeft van nature de neiging om te gaan compenseren. Gaat het één niet zo lekker, dan wijken we met enige gretigheid al snel uit naar iets anders.

In de bovengenoemde instituten beheersen ze dit soort logica kennelijk niet. Mede foodblogger Paul Oosten lag liefst 33 dagen in het St. Radboud met een ernstige bacteriële infectie. Hij kreeg niet één fatsoenlijke maaltijd, waardoor zijn gewicht afnam en hij bijkans reikhalzend uitzag naar de door het bezoek meegebrachte maaltijden.

De Koningin der Broodbakkunst, onze eigen Levine van Doorne, overkwam hetzelfde. Met een ernstig gehavend been raakte zij, totaal onverwachts, in het ziekenhuis, waarna ook zij vanaf dag 1 tot het oordeel kwam dat geen enkele warme haar kon bekoren. Duffe, smakeloze happen, zeer waarschijnlijk allemaal samengesteld uit prefab fabricaten. Om over het brood nog maar helemaal te zwijgen, hè Levine? Gelukkig waren er ook hier bereidwillige hulptroepen die haar voorzagen van allerhande lekkers.

Jazeker, er valt te twisten over de definitie van een fatsoenlijke maaltijd, maar persoonlijk houd ik het even hier op: een bordje eten dient dusdanig smakelijk te zijn dat een niet al te fitte mens deze zonder afkeer of gevoelens van walging weet weg te slikken. Om aan te sterken. Om het gewicht én de algehele conditie op peil te houden. Om een klein stukje oraal welbehagen te verkrijgen, waar alle andere leuke bezigheden node ontbeert worden. Of simpelweg omdat het moet kunnen: een lichte, smaakvolle maaltijd aan te bieden aan een ieder die vanwege gezondheidsproblemen overgeleverd is aan de zgn.” steriele systemen”.

Mijn tante Toke verblijft momenteel in een verzorgingstehuis. Ze is dementerend en ook haar fysieke toestand verslechtert snel. Hierdoor gaat het wassen/aankleden/opstaan steeds moeizamer, dus vindt de verzorging het wel gemakkelijk om haar in bed te houden. Ik lieg niet.

Bed. Ziek. Pijn. Ongemak. Slecht slapen. Frustratie. Noodgedwongen moeten liggen in een omgeving die niet de jouwe is, met links een buurvrouw die een groot gedeelte van de dag tientallen luidruchtige  bezoekers om zich heen heeft en rechts een snurkende buurman die zich overdag de meest gruwelijke details weet te herinneren over – precies! - jouw aandoening, valt het niet mee om positief te blijven.

Op zulke momenten blijft er echt niet veel méér over dan het gebruik van onze vier speciale zintuigen. Zien. Horen. Ruiken. Smaken. En dan kan ik met de beste wil van de wereld niet begrijpen dat al die grootgutters in de gezondheidszorg kennelijk geen weet hebben van dit soort basale behoeften. Alsof zij nooit ziek op bed gelegen hebben. Alsof zij te allen tijde energiek en topfit, als een soort van robot, door het leven kuieren. Nooit een dip, nooit een pijntje, dus ook nooit hevige verlangens naar een beetje troostvoedsel.

Als voorbeeld mijn tante Toke weer: uitzicht op een saaie muur. Nergens een rustgevend muziekje. Het lekker geurende zeepje is vervangen door geïmpregneerde, reukloze wasdoekjes. Om het maar niet over de maaltijden te hebben. Dankzij Paul en Levine denk ik te weten hoe deze eruit moeten zien. De ter plekke aanwezige drank bestaat uit de standaard-uitrusting: koffie, thee, sinaasappel- en appelsap. En water. Dat mag ze zoveel drinken als ze zelf wil. Probleem is alleen dat ze zelfs dat niet eigenhandig kan pakken. Kleinigheidje ….

Het mag duidelijk zijn: ik pleit voor een meer klantvriendelijk beleid  binnen de gezondheidszorginstellingen, met name op het gebied van de voeding. Dames en heren uit deze branche: trek dit op uw fatsoen. Maak uw zieke medemens niet ondergeschikt  aan uw systeem, maar heb aandacht voor persoonlijke wensen. Iemand die gewend is grof desembrood te eten, scheep je niet af met een kleffe deegflap. De dag beginnen met een gezonde smoothie, is voor veel mensen intussen gemeengoed geworden. Zo niet in een ziekenhuis. Rauwkost à la minute bereid. Halal. Biologisch. Vegetarisch. Het moet toch allemaal mogelijk zijn?

Een zieken- of verzorgingshuis is Nederland is immers geen veldhospitaal in oorlogsgebied. Het is in veel gevallen een uitstekend geoutilleerd gebouw, gevestigd in een geciviliseerd land, voorzien van ultramoderne medische apparatuur en optimale expertise in de vorm van gespecialiseerd  personeel.
Wat zegt? Een beperkt budget voor voeding? Misschien valt er winst te halen bij de salarissen aan de top? Of bij de karrenvracht medicatie die weggegooid moet worden als de patiënt het ziekenhuis verlaat? Ziekenhuizen zijn vrijwel volledig autonoom en ondervinden weinig externe druk om hun financiële beleid kritisch te bekijken.
Op http://www.rekenkamer.nl/Publicaties/Onderzoeksrapporten/Introducties/2013/10/Transparantie_ziekenhuisuitgaven kun je er meer over lezen.

Zou ik ooit in een zelfde bed komen te liggen als de personen hierboven, dan weet ik nu al waar ik in ieder geval over zou fantaseren. Zoete, schuimende milkshakes. Partjes koele watermeloen. Versterkende bouillonnetjes. Luchtige, hartige taartjes. Korstloze, geroosterde, witte boterhammetjes met dik roomboter en frambozenjam. Split-ijsjes. Een schuimomelet met groene kruiden. Gepocheerd kabeljauwstaartje met een vlinderlichte mosterdsaus. Smeerkaas op superdunne crackers.

Ik mag hopen dat ik tegen die tijd omringd ben door mensen die met liefde voor mijn inwendige gesteldheid zorg dragen. Zodat ik géén aardappelplaksel, geen slap supermarktbrood, doorgekookte groenten of klonterige sauzen tot me hoef te nemen.



zondag 6 april 2014

Albóndigas con picada de almendra

 
Land van de uitbundige zon, klepperende castagnetten, melancholieke fado’s en vurig temperament. Van hoogvlaktes en bergketens. De Taag en de Duero. Van de siësta. De paella. Vermaledijde torero’s. En het omgekeerde vraagteken. Ik heb het natuurlijk over Spanje. Mediterraan land dat veel toeristen trekt.

Maar laat ik vooral de nationale trots niet vergeten: hun uitgelezen sortering tapas. Kleine, hapklare gerechtjes die je gepresenteerd krijgt bij je wijntje (of sherry, de fino graag) en die een afspiegeling vormen van de authentieke, Spaanse keuken. Door deze samen te voegen met de vier eerder genoemde elementen, heb je per direct een instant vakantiegevoel te pakken.

En dat is precies wat ik wil op dit moment. Een lange, zorgeloze vakantie. Met overdadig veel zon, zee en fijne hapjes. Het zit er even niet in. Niet getreurd echter, dan breng ik de costa del sol toch gewoon naar Zeeland? Fris, blauw water is het probleem niet. Permanent aanwezig hier. Qua zonuren kent de Zeeuwse provincie het hoogste aantal per jaar. Fadomuziek kan ik uit mijn luidsprekers laten galmen. Zit ik alleen nog met die lekkere hapjes.

Daarvoor pak ik naar één van mijn oudste kookboeken: De Spaanse keuken van Penelope Casas. Alleen de naam al zorgt voor prettige associaties. Hoewel ik er al veel recepten uit heb gemaakt, was de albóndigas met amandelsaus deze eer nog niet ten beurt gevallen. Op naar de keuken.
Off we go ….

Ingrediënten voor de gehaktballetjes (circa 15 à 20 stuks)
4 eetlepels gedroogd broodkruim (of panko)
4 eetlepels kippenbouillon
450 gr h.o.h. gehakt
1 eetl peterselie, fijngehakt
2 teentjes knoflook, fijngehakt
2 eetl gedroogde Spaanse bergham, capicollo of Parmaham, fijngehakt
½ tl zout
versgemalen peper
1 ei, losgeklopt
bloem om te bestuiven

voor de saus:
2 eetl olijfolie
3 eetl ui, fijngehakt
2 eetl tomaat, ontveld en fijngehakt
4 eetl droge witte wijn
8 eetl kippenbouillon
1 klein blaadje laurier
zout, versgemalen peper
1 eetl peterselie, fijngehakt
2 teentjes knoflook, fijngehakt
enkele draadjes saffraan, verkruimeld
1 eetl geblancheerde amandelen, gehakt
¼ tl pimentón
2 eetl verse of diepgevroren doperwten (deze heb ik weggelaten)

Bereidingswijze:
Week voor de balletjes het broodkruim in een grote schaal in de bouillon. Of gebruik panko.
Meng de overige ingrediënten er voorzichtig door en vorm er dan balletjes van met een doorsnede van circa 4 cm.
Bestuif de balletjes licht met bloem.
Verhit de olie in een ondiepe pan en bak hierin de gehaktballetjes aan alle kanten goudbruin bij matige warmte.

Temper de warmtebron, voeg de ui toe en laat deze glazig worden.
Voeg dan de tomaat toe en laat het geheel nog eens een paar minuten garen.
Roer de wijn, bouillon en laurier erdoor.
Breng het geheel op smaak met zout en peper, sluit de pan af en laat dit zo’n 30 minuten zachtjes pruttelen.

Stamp ondertussen in een vijzel (of met de staafmixer) de peterselie met de knoflook, een beetje zout, de saffraan, amandelen en pimentón fijn.
Voeg dit mengsel (evt. samen met de doperwten die ik niet heb gebruikt) toe aan de gehaktballetjes en laat het nog een tiental minuten pruttelen.

Let op: de saus dikt tamelijk veel in en wordt daardoor gauw te weinig. Dit kun je heel gemakkelijk oplossen door nog wat bouillon of water toe te voegen. Het maakt voor de uiteindelijke smaak echt niet veel uit.

donderdag 3 april 2014

Vega burger van kikkerwten, mais en paprika

Als het om dromen, idealen of verlangens gaat, heb ik een rijk arsenaal aan fantasiebeelden voorhanden. Als ik een vleesloze maaltijd moet verzinnen, blijkt de fantasiebron plotsklaps te zijn opgedroogd. Mr. Ottolenghi biedt vaak uitkomst. Of Janneke Vreugdenhil. En soms schakel ik domweg over naar de blik-op-oneindig-modus. Dan scharrel ik maar wat. Gooi wat zaken bij elkaar die van oudsher al een perfecte match hebben, voeg nog iets extra’s toe en hoppa: aan táááfel!

Dat we, na dergelijke losgeslagen experimenten, elkaar om negen uur met ingevallen rammelbekjes van de honger zitten te beloeren, moge duidelijk zijn. Sjonge, wat is op dergelijke momenten al vaak de koelkast geplunderd, zoekend naar de laatste restjes kaas. Boterhammen met dik pindakaas zijn dan plotseling ook erg favoriet! Herkennen jullie het? Gelukkig …..

Gisteren was dat allemaal niet aan de orde. Gisteren maakte ik een heuse vegetarische burger. Van kikkererwten. Met mais, ui, paprika en knof. Lekker op een broodje met rucola en flink veel homemade tzatziki. Waarna onze buikjes geheel en al gevuld waren. Dat hoort zo bij een burger. Kijk maar eens naar de zelfgenoegzame smoeltjes van een willekeurige  McDonaldganger! Enfin, ik kan je dit alternatief van harte aanbevelen. Met dank aan Gijs, chef bij brasserie de Drvkkery, die dit alles weer bij elkaar wist te verzinnen.

Ingrediënten (voor 4 burgers)
1 blik mais (310 gr)
1 blik kikkererwten (310 gr)
150 gr rode ui, fijngesneden
150 gr rode paprika, fijngesneden
2 tenen knoflook, fijngesneden en geplet
1 schep paneermeel of panko (het geheel moet niet te klef en niet te droog voelen)
1 tl zout
1 tl garam masala
½ tl gemalen komijn
½ tl chilipoeder
¼ bosje koriander, fijngehakt

Bereidingswijze:
De mais en kikkererwten in de blender malen of pureren. Maak het geheel niet al te fijn, er mogen best nog stukjes te zien zijn.
Fruit de knoflook, ui en paprika.
Meng dit, samen met de kruiden en het paneermeel of panko, door het kikkererwtenmengsel.
Vorm er vier platte burgers van. Dit gaat heel goed met behulp van een kookring, waarin je alles goed aandrukt.
Bak in olie op een zacht vuur tot beide zijden een mooi, knapperig korstje hebben.
Serveer op (al dan niet gegrild) brood met salade erbij.
Garneer met een flinke lepel tzatziki of een gebakken ei er bovenop.


donderdag 27 maart 2014

Aubergines met een kruidig korstje


Aubergine. Het is het soort groente waar je van houdt, of niet. Veel mensen kennen het alleen van de beetje vettige moussaka bij de Griek. Ook lekker, maar persoonlijk eet ik deze glanzend-paarse rakker het liefst in combinatie met droge, witte rijst. De neutrale, licht-bittere smaak van de aubergine vergt wel krachtige tegenhangers om er een smakelijk hapje van te maken. Tomaat. Knoflook. Olijven. Kruiden. Onderstaand recept heeft het allemaal in zich. Plus tegengestelde texturen: het zachte vruchtvlees wordt afgedekt met een knapperige, uiterst hartige topping. *slik*

Ingrediënten:
2 aubergines
2 teentjes knoflook
enkele takjes verse rozemarijn
grof zout
grof gemalen peper
een scheutje fijne olijfolie

Voor de panade (kruidig korstje):
120 g Parmezaanse kaas
3 sneetjes (oud) wit brood
enkele takjes verse marjolein
enkele takjes verse oregano
enkele takjes verse rozemarijn
32 (ontpitte) gemengde groene en zwarte olijven
50 g steelkappertjes

Bereidingswijze:
Verwarm de oven voor op 180°C. Hierin krijgen de aubergines een eerste garing.
Spoel de aubergines en snij het topje en het steelstuk eraf. Snij de groente vervolgens in de lengte middendoor.
Maak met een scherp mesje kruisgewijs insnijdingen in het sponzige vruchtvlees van de aubergines. Leg ze in een (diepe) ovenschaal.
Pel de knoflook en druk een half teentje in het midden van elke halve aubergine. Doe hetzelfde met takjes verse rozemarijn.
Strooi er grof zout (bv. fleur de sel) en wat peper van de molen over.
Druppel tenslotte een scheutje fijne olijfolie over elke halve aubergine.
Zet de ovenschotel in de oven van 180°C gedurende 15 à 20 minuten.

Bereidingswijze panade:
Verbrokkel de Parmezaanse kaas in de beker van de blender en mix de kaas fijn. Giet de gemalen Parmezaanse kaas in een mengschaal.
Snij de korst van een zeer dikke snee (of meerdere gewone sneetjes) wit brood. Gebruik gerust oud brood.
Scheur het brood in stukken en doe het in de blender. Maal het brood fijn en meng de kruimels onder de gemalen kaas.
Spoel de kruiden en rits de blaadjes van wat verse marjolein, rozemarijn en oregano. Hak de kruiden zeer fijn en meng de snippers onder de gemalen kaas met broodkruimels.
Verzamel de (ontpitte) olijven en de kappertjes (zonder steel) op je snijplank. Zet er het mes in tot alles in fijne stukjes gehakt is.
Schenk wat olijfolie in de panade, totdat het mengsel licht kleverig wordt. Overdrijf niet.
Kruid het mengsel met wat peper van de molen. Zout hoeft niet.
Neem de schaal met aubergines uit de oven en verwijder de stukjes knoflook en de takjes rozemarijn uit de groente. Die hebben intussen hun werk gedaan. Hou de oven warm.
Was je handen en gebruik ze om op elke halve aubergine een royale en dikke laag van de panade aan te drukken.
Bak de aubergines opnieuw 15 minuten in de oven van 180°C.
Zet nadien de ovengrill op. Laat de panade bakken tot ze goudbruin en krokant is.

Lekker met een salade van rucola, buffelmozzarella en pruimtomaatjes.

Bron: Dagelijkse Kost - Jeroen Meus
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...